zaterdag 17 juli 2010

'Nog steeds hopen dat je morgen thuis komt' - tranen

We vieren de verjaardag van je oudste dochter op de camping. Je jongste kind blijft thuis, hij sluit zich af en wilt niks. Het enige wat je nog van zolder hoort zijn de klanken van het gitaarspelen. Ik ben blij dat hij dat nog doet, zelfs nu jij niet meer stiekem aan de zoldertrap kan luisteren omdat je het zo mooi vindt maar hij stopt als iemand boven komt. Maar hij wilt niet mee dus zitten we met je vrouw, je vier kinderen, je schoonzus en je jongste schoondochter. Ik heb voor je dochter een tegeltje laten drukken. Met de foto van de zon en de molen die ons zo raakt. Met daarop de tekst die we die zondag apart van elkaar uit een gedicht pikte 'I hold you close to me, I release you to be so free. Because I am in you and you are in me' Het werd ons zinnetje voor jou. Ik zie haar slikken als ze het tegeltje ziet maar ze is er blij mee. Van mama krijgt ze net zo'n hangertje als ik kreeg. Nu dragen we alledrie een perkamentrol met daarin 'Papa' en 'Mac' gegraveerd en op de achterkant je geboorte en sterfdatum. Het is iets wat ons drieën met jouw verbind. Na de cadeautjes spelen we Bingo, lachen en genieten. Ik win de 'hoofdprijs' - de hele kip. Waar vooral je oudste zoon op aasde. Maar ik win hem en ik neem hem mee naar huis.

Begin van de nacht rijden we met zijn 5en terug naar 3 verschillende huizen. We rijden langs het ziekenhuis en het verleden slaat me vol met zijn twee vuisten in mijn gezicht. De tranen stromen en het duurt een seconde voor ik de klap met de tranen link en zie je voor me liggen. Dood. In dat kamertje. Het is het ziekenhuis waar we op de zaterdag naar toe reden, waar we verzamelden met zijn 6en. Waar ze je stoffelijk overschot noemde in plaats van mijn papa. Het koude kille kamertje, het zien van jouw neus en gezicht vanaf de deur. Het knikje waarvan ik me nu afvraag wat er was gebeurd als ik nee had geknikt. Als ik had ontkent dat jij het was. Natuurlijk had ik dat niet gekund en die agent had aan onze reactie al precies door dat jij het was. Maar toch. Dat ene knikje dat bevestigde dat jij de dode man hier op tafel was.

De film is een stukje doorgespeeld. De politieagenten zijn nu vervangen door de scene aankomen bij het ziekenhuis, mijn oudste broer die 'kom hier meisje' zegt als ik begin te huilen, van het wachten in de hal, uitleggen aan de receptioniste dat we onze overleden vader komen identificeren, het aan moeten horen hoe iemand jou stoffelijk overschat noemt en hoe ik daar over viel, het kamertje, het grauwe, het knikje. Mama die wil dat je wakker wordt, het opmerken dat je nog precies naar papa ruikt, ik die je de eerste kus op je dode hoofd geef, mama die je de tweede geeft, de tranen van je oudste zoon. Dat stomme, stomme kamertje, de lijkschouwers met hun witte pakjes en witte klompen. Jij, dood, koud en grauw.

Ik huil en vecht tegen de tranen met de koude kip op mijn schoot. Ik wil naar huis. Ik wil de drempel over stappen, de deur dicht slaan en breken. Alle tranen op de grond laten kletteren. Ik kom thuis, met die kip. Die stomme, stomme kip. Als jij nog had geleefd zou ik blij zijn geweest. Ik had je hem trots laten zien wetende dat we morgen zouden braden en jij er van zou smullen. Je was zo dol op gebraden kip uit de oven. Maar je bent er niet meer en als ik in bed lig, de tranen stromen en ik tegen je praat besef ik me dat ik jou mis. Maar ik mis ook het zeggen van 'Papa' Het hard op vragen, roepen, zeggen. Pap. Nu zeg ik het tegen de stilte en het heeft geen zin. Ik kan het niet laten om te zeggen dat ik hoop dat je morgen, of desnoods overmorgen weer thuis kan komen. Dat je op vakantie bent en we zoals gewoonlijk niet weten wanneer je precies thuiskomt. We weten het ongeveer, maar je komt altijd onverwachts. Ik hoop dat je morgen thuiskomt, of overmorgen. Als het moet dan die dag erna. Maar niet later papa, niet later.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten